Sector
  • Havo bovenbouw
Vakgebied
  • Wiskunde D
Leerplankundig thema
  • Schoolexamen
  • Handreiking

Waarover moet worden nagedacht voor het opstellen van het PTA

21-7-2015

Invloed van schoolvisie en visie op het vak

Het is niet zo gemakkelijk om een visie op het vak wiskunde D te formuleren. Veelal beperken scholen zich er toe het (examen)programma aan te bieden en zich vooral te richten op de invalshoek die bij het CE gebruikelijk is. Maar bij wiskunde D is geen CE en zal de visie op het vak leidend (kunnen) zijn voor de keuzes en de opzet. 
In het visiedocument Rijk aan betekenis​ worden verschillende aspecten genoemd die van invloed zijn op de visie van het vak wiskunde. 
Dit kunnen uitgangspunten zijn van waaruit de school en de vaksectie het wiskundeonderwijs gestalte willen geven, naast de algemeen geformuleerde visie die de school kenmerkt bij de uitvoering van haar onderwijs.
Enkele voorbeelden van schoolvisie en visie op het vak zijn:
  • De school heeft een visie op de vormgeving van de tweede fase met betrekking tot het zelfstandig leren en de plaats daarin van het onderwijs in de vakken.
  • De school stimuleert de samenwerking met andere (profiel)vakken en past de organisatie daar op aan.
  • De school heeft gekozen voor een profielsgewijze organisatie van de bovenbouw van de school.
  • De vaksectie gebruikt praktische opdrachten om het toetsen van een aantal vaardigheden beter te realiseren.
  • De vaksectie zet in op samenhang tussen wiskunde B en de andere (profiel)vakken om daarmee een belangrijke doestelling van de vernieuwing te realiseren, bijvoorbeeld bij het maken van het profielwerkstuk en/of een praktische opdracht.
Dergelijke overwegingen zijn van belang voor de vaksectie om een goed beeld te krijgen van de randvoorwaarden waarbinnen het vak wiskunde op de eigen school wordt onderwezen. Zo moet er bijvoorbeeld duidelijkheid zijn over:
  • de verdeling van de studielast over de leerjaren;
  • de verdeling van de leerstof over de leerjaren;
  • de inhoud, vorm en het tijdstip van de toetsing;
  • de regels van de school voor herkansing van onderdelen van het schoolexamen;
  • de regels voor voortgangsrapportage, het aantal rapporten en de datum voor aanleveren van gegevens;
  • de verhouding tussen examentoetsen en voortgangstoetsen;
  • de informatiebronnen die leerlingen gebruiken naast de lesmethode;
  • spreiding van schriftelijke toetsen en eventuele praktische opdrachten over de schooljaren;
  • koppeling met examenonderdelen van andere vakken;
  • het toetsen van algemene vaardigheden uit domein A.
De gewenste detaillering in de beschrijving van de onderdelen van het PTA wordt op schoolniveau aangegeven. Het PTA dient een raamdocument te zijn waarbinnen later door middel van gedetailleerde studiewijzers de precieze inhoud en werkwijze aan de leerlingen duidelijk gemaakt wordt. Daarom verdient een korte typering en een globale omschrijving van de vakinhoud de voorkeur boven een gedetailleerde beschrijving die in de loop van het jaar kan leiden tot knelpunten voor leerlingen en docenten en zelfs een officiële wijziging van het PTA tot gevolg kan hebben.
De vakinhoud voor (een deel van) een schriftelijke toets kan in het PTA globaal aangegeven worden, bijvoorbeeld door de hoofdstukken van de gebruikte methode op te sommen. Dat geeft de leerlingen al veel duidelijkheid.
In de studiewijzer kan dan gedetailleerd worden opgenomen welke onderdelen daarvan (pagina’s, opgaven, en eventueel andere bronnen) tot de stof van deze toets behoren.
Ter verantwoording is het aan te bevelen om, naast het noemen van de stof door middel van hoofdstukken, in het PTA aan te geven op welke (sub)domeinen van het examenprogramma deze hoofdstukken betrekking hebben.
 

Spreiding van toetsing

De school is vrij in bepalen van de spreiding van de toetsen. Vaak kiezen scholen ervoor om in de vierde klas een (of enkele) toets(en) af te nemen, en de complexiteit van de toetsen in de loop van de vijfde klas te laten toenemen.
Ook de plaats van het keuzeonderwerp binnen de toetsing speelt een rol. Veel scholen kiezen ervoor om dat aan het einde van de vierde klas of het begin van de vijfde klas te doen, dan kunnen de leerlingen zich daarna volledig richten op het SE-deel van het examenprogramma.
Een suggestie is om de toetsduur (gekoppeld aan de hoeveelheid stof) te laten oplopen, bijvoorbeeld als volgt: begin 4 havo één lesuur, eind 4 havo twee lesuren, oplopend in 5 havo naar 150 minuten, waarbij de laatste toets 180 minuten duurt. De laatste toets is dan bedoeld om de leerlingen beter voor te bereiden op het SE, waarvan de tijdsduur ook 180 minuten is.
 

Weging

Er zijn geen voorschriften met betrekking tot het aantal toetsen per leerjaar of de weging van de toetsen. De sectie cq. de school kan hierover zelf beslissen. Soms wordt er vanuit de school (visie, organisatie, …) iets aangegeven.
Vaak kiezen scholen er voor om PTA’s die in het eindexamenjaar worden afgenomen zwaarder te laten wegen dan de andere PTA’s. Redenen daarvoor zijn onder andere dat de PTA’s in het eindexamenjaar veelal een grotere hoeveelheid omvatten en ook dieper op de stof ingaan. Bijvoorbeeld: in de voorexamenklas worden de resultaten van alle voortgangstoetsen gemiddeld en dat resultaat wordt meegewogen als één PTA-toets.
De weging van de verschillende onderdelen van het schoolexamen moet in het PTA zijn opgenomen.

Schooleigen onderwerpen

De school kan er voor kiezen om onderwerpen in het SE op te nemen die niet worden genoemd in het eindexamenprogramma. Zo’n onderwerp mag per leerling verschillend zijn. Als de school daar voor kiest, volstaat het om dat in het PTA te typeren als bijvoorbeeld ‘door de vaksectie te bepalen thema’ of ‘actualiteitsopdracht’ of ‘verbredingsopdracht’ of ‘verdiepingsopdracht’. 
Het is niet aan te bevelen om in het PTA op te nemen ‘door leerling te bepalen thema’, ook al is de school voornemens om leerlingen de ruimte te geven eigen keuzes te maken. Het PTA is een wettelijke regeling en het zou niet zo moeten zijn dat ouders en/of leerlingen met het PTA in de hand de weg naar de rechter zoeken om wettelijk af te dwingen dat hun zoon of dochter een thema voor het schoolexamen kiest dat niet aan de criteria van de vaksectie/docent voldoet.